De geboden – Tweede gebod van God (vervolg) – Zweer niet ijdel, vloek noch spot

1. Iemand die gezworen heeft om een slecht werk te verrichten, is niet verplicht om deze belofte te houden. Hij zou immers de zaak verergeren door een bijkomende zonde te stellen.
2. Herodes bedreef deze zonde toen hij Johannes de Doper liet onthoofden. We lezen in het evangelie van Marcus:“Koning Herodes hoorde over Hem, want zijn naam was bekend geworden, en ze zeiden: ‘Johannes de Doper is uit de doden opgewekt. Daarom zijn die krachten in Hem werkzaam.’ Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia’, en weer anderen: ‘Het is een profeet als andere profeten.’ Toen Herodes dat hoorde, zei hij: ‘Die Johannes, die ik heb laten onthoofden, is uit de doden opgewekt.’ Want zelf had Herodes Johannes laten arresteren en in de gevangenis laten zetten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. Want Johannes had tegen Herodes gezegd: ‘Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te bezitten.’ Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem uit de weg ruimen, maar ze had daartoe niet de macht. Want Herodes had ontzag voor Johannes, in het besef dat deze een rechtvaardige en heilige man was, en hij nam hem in bescherming. Als hij naar hem luisterde, raakte hij steeds in verlegenheid, en toch hoorde hij hem graag. Er kwam een gunstige dag toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hofhouding, de legerleiding en de hoge heren van Galilea. De dochter van hem en Herodias kwam binnen en met haar dans deed ze Herodes en zijn gasten een groot genoegen. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, ik zal het je geven.’ En hij deed er zelfs een eed op: ‘Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk.’ Ze ging weg en zei tegen haar moeder: ‘Wat moet ik vragen?’ Die zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ Haastig ging ze recht op de koning af en vroeg: ‘Ik wil dat u mij terstond op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ De koning werd bedroefd, maar vanwege zijn eed en omwille van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren. Meteen stuurde de koning iemand van zijn lijfwacht en gaf het bevel om het hoofd van Johannes te brengen. Die ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis. Hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. Toen zijn leerlingen het hoorden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.”
3. We maken ons schuldig aan godslastering (“blasfemie”) wanneer we aan God of zijn heiligen iets oneerbaar toeschrijven; wanneer we iets van hen loochenen; wanneer we hen bespotten.
4. Er zijn twee soorten godslastering: eenvoudige en ketterse.
5. Eenvoudige blasfemie is wanneer we oneerbaar woord aan God richten, zonder evenwel iets te zeggen dat afbreuk doet aan de geloofswaarheden, bv. “verdoeme” ( = vervloekt, vermaledijd) of het spottend uitspreken van Gods naam bv. “Jezus!” (ook varianten zoals “Dju”, “Geez”, “Jeetje”,…).
6. Wanneer we voor “verdoeme” (of varianten zoals “verdomme”, “verdomd”, “doeme”, “verdorie”,…) het woord “god” plaatsen en dit in boosheid of verachting uitspreken, is dit voor God uiterst lasterlijk. Het is alsof men zegt: “Moge Gods naam vervloekt zijn!”. Dit is een afgrijselijke godslastering.
7. Onder ketterse blasfemie verstaan we een godslastering die niet alleen een verachting van God uitdrukt, maar ook een dwaling tegen te rechte leer bevat. Voorbeelden zijn uitspraken als “God is niet rechtvaardig” of “God bekommert zich niet om ons”.
8. Een ketterse blasfemie die weloverwogen wordt uitgesproken, is een doodzonde.
9. Wanneer je een godslastering hoort, moet je deze zo snel mogelijk rechtzetten, door bv. te antwoorden: “Geloofd zij Jezus-Christus!”
10. Wanneer we “verdoeme” (of varianten) zeggen, betekent dat dat we onzelf, onze naaste of een ander schepsel kwaad toewensen.
11. We zondigen tegen dit gebod wanneer we onszelf of iemand anders kwaad toewensen, bv. in de uitdrukking: “Ik mag doodvallen als het niet waar is.”

Uitleg van de prent

12. Deze prent stelt ons Herodes voor op zijn verjaardagsfeest. Bij hem staat de dochter van Herodias die hem het hoofd van Johannes de Doper vraagt. Links zien we die beulen die het hoofd van Johannes de Doper op een schaal aandragen.
13. Volgens de oude Mozaïsche wet moesten godslasteraars gestenigd worden. Onderaan links zien we een godslasteraar die Mozes liet stenigen nadat hij met God overleg gepleegd had.
14. Onderaan rechts zien we een landbouwer die vloekt op de dieren die hij aanvoert. Zo roept hij hen toe: “Dat de duivel jullie komt halen!”. Zijn noodlottige bede wordt verhoord: duivels zaaien paniek in de kudde en zijn dieren lopen weg.

One Comment

  1. Posted February 20, 2016 at 11:12 pm | Permalink | Reply

    Hier in Praag kun je de Codex Gigas bewonderen, ik weet niet op welke mniaer en hoeveel glas ertussen zit, maar toch Ik ga een dezer dagen (ik woon in Praag) dat boekie toch maar eens bekijken

One Trackback

  1. […] was en bang anders aan respect in te boeten bij zijn belangrijke gasten (waardoor dit verhaal in de prentencatechismus gebruikt wordt als illustratie bij het tweede gebod: “Zweer niet […]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *